112Gelderland

Het laatste nieuws van de provincie Gelderland

Kerstwinkel 2017

Afkortingen

 Dagelijks vinden er incidenten plaats: aanrijdingen, inbraken en branden. Meestal kan één eenheid van politie, ambulance of brandweer deze incidenten afhandelen. Soms is er sprake van een groter incident, waarvoor meerdere eenheden gealarmeerd worden. Hierbij komen ook vaak verschillende hulpdiensten ter plaatse. Samen vormen zij de hulpverleningsorganisatie.

Opschaling
Brandweer, politie en de Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen (GHOR), in nauwe samenwerking met de gemeenten, vormen de kern van de hulpverleningsorganisatie.

De hulpverleningsorganisatie moet hulp verlenen, van kleine incidenten (vernieling) tot zeer grote calamiteiten (vliegtuigramp). De soort en omvang van een incident zijn maatgevend voor de in te zetten capaciteit. Bij een grootschalig incident hebben de diensten behoefte aan onderlinge coördinatie en leiding. Om daar op in te kunnen spelen, kent de organisatie een opschaling. Opschaling gebeurt middels een eenduidige opschalingsprocedure. Binnen deze procedure zijn duidelijke afspraken gemaakt over de bestuurlijke en operationele coördinatie en leiding. Opschaling is dus meer dan alleen het vergroten van het aantal ambulances, politiewagens en tankautospuiten.

Ook bij te verwachten gebeurtenissen
Behalve bij onverwachte incidenten, kan ook worden opgeschaald om te verwachten gebeurtenissen het hoofd te bieden. Zo kan bijvoorbeeld een dreigende overstroming of infectieziekte reden zijn om alvast noodzakelijke voorbereidingen te treffen. In geval van een dreigende ramp zullen de hulpdiensten op straat (nog) niet actief zijn, maar zal men wel de vinger aan de pols willen houden. Dan zal bijvoorbeeld GRIP 4 worden ingesteld, zonder dat ambulance, politie-eenheden en tankautospuiten worden ingezet.

De afspraken over opschaling zijn vastgelegd in de Gecoördineerde Regionale IncidentenbestrijdingsProcedure (GRIP). De procedure kent de volgende coördinatieniveaus:

GRIP 1
Er is gezien de aard van het ongeval coördinatie tussen de verschillende hulpdiensten nodig. Ter plaatse wordt een Coördinatie Team Plaats Incident (CTPI) samengesteld uit de operationeel leidinggevenden (Officieren van Dienst) van de verschillende hulpdiensten. Er is nog geen sprake van eenhoofdige leiding. De burgemeester van de gemeente waar het incident is ontstaan wordt afhankelijk van de plaatselijke afspraken gewaarschuwd naast de Regionaal Commandant van de brandweer, de Regionaal Geneeskundig Functionaris (RGF) en de Districtschef van de politie.

GRIP 2
Doordat het ongeval een effect heeft op het gebied om het incident heen is verdere opschaling nodig. Er wordt een Commando Plaats Incident (CoPI) ingesteld waarbij de leidinggevende (Officier van Dienst) van één van de aanwezige hulpdiensten de leiding neemt over alle aanwezige disciplines; vaak is dat de bevelvoerder van de brandweer, anders meestal de politie. De kernstaf van het Regionaal Operationeel Team (ROT) komt bijeen (dit team bestaat uit functionarissen van de verschillende hulpdiensten) die de inzet van hun diensten op afstand leiden. Als dit nog niet gebeurd was wordt de burgemeester van de getroffen gemeente gealarmeerd; deze zal de kernstaf het Gemeentelijk Beleidsteam (GBT) laten alarmeren om hem bij te staan.

GRIP 3
Niet alleen de directe omgeving wordt beïnvloed door de ramp (men spreekt nu formeel van een ramp, niet langer van een incident), maar een groter gebied ondervindt de gevolgen, bijvoorbeeld een (deel van een) gemeente. Het CoPI wordt ter plaatse ingesteld als dat nog niet het geval was, het wordt soms ook wel CoRT (Commando Rampterrein) genoemd. Het Regionaal Operationeel Team komt in volle bezetting bij elkaar om op afstand de bestrijding te coördineren in overleg met het Commando Plaats Incident. De burgemeester van de getroffen gemeente komt bijeen met het volledige Gemeentelijk Beleidsteam om op bestuurlijk niveau sturing te geven aan de bestrijding van de gevolgen van de ramp. De binnen de Veiligheidsregio aangewezen burgemeester wordt gealarmeerd en wordt Coördinerend Bestuurder. Deze laat zich ondersteunen door een Regionaal Beleids Team (RBT) met daarin functionarissen van de verschillende hulpdiensten. De Commissaris van de Koningin (CdK) van de betreffende provincie wordt geïnformeerd. Hij informeert de Minister van Binnenlandse Zaken. Als er zaken door de gemeente geregeld moeten worden, zoals opvang of registratie dan wordt het Gemeentelijk Rampenmanagementteam of GRMT bijeen geroepen.

GRIP 3
betekent niet bij voorbaat dat er sprake is van een ramp. Bij een dreiging van een ramp kan GRIP 3 uit voorzorg afgekondigd worden om de comandostructuur in te richten. Dit was bijvoorbeeld het geval bij de brand in de faculteit bouwkunde van de Technische Universiteit Delft op 13 mei 2008. Omdat het pand op instorten stond ontstond het gevaar van een grote stofwolk met asbestdeeltjes.

GRIP 4
Het effectgebied van de ramp overstijgt de grenzen van de gemeente of zelfs de veiligheidsregio of provincie. Het CoPI/CoRT wordt ingericht en Regionaal Operationeel Team komt samen als dat nog niet het geval was. Een Regionaal Beleids Team (RBT) met daarin functionarissen van de verschillende hulpdiensten ondersteunt de Coördinerend Bestuurder. Als dit nog niet gebeurd was wordt de Commissaris van de Koningin gealarmeerd die een Proviciaal Coördinatie Centrum (PCC) zal inrichten. Een Provinciaal Coördinatie Centrum bestaat uit ambtenaren betrokken bij rampenbestrijding en adviseert de Commissaris. Als een GRIP-4 situatie de provinciegrenzen niet overschrijdt dan heeft de CdK de coördinerende rol. De Minister van Binnenlandse Zaken wordt ook geïnformeerd over de ramp als dat nog niet gebeurd was, hij krijgt de coördinatie als de ramp provinciegrenzen overschrijdt. Het Nationaal CrisisCentrum (NCC) komt bij elkaar; dit bestaat uit ambtenaren belast met rampenbestrijding en regelt de coördinatie van de bestrijding tussen verschillende ministeries. Betrokken ministeries kunnen Departementale Coördinatie Centra (DCC) opzetten.

Afkortingen in de hulpverlenings sector

AOV =   Ambtenaar Openbare orde en Veiligheid
ASW =   Afzettingen Snelwegen
CACO =   Calamiteitencoördinator
CC =   Compagnies Commandant
CMI =   Centraal Meldpunt Incidenten
CMV =   Centraal Meldpunt Vrachtautobergingen
COBA =   Coördinatieplan OngevallenBestrijding Autosnelwegen
COH =   Commando Haakarmbak
COPI =   Commando Plaats Incident
CRIB =   Centraal Registratie-en InlichtingenBureau
Fastresponder = Motorambulance
GAGS =   Geneeskundig Adviseur Gevaarlijke Stoffen
GBT =   Gemeentelijk BeleidsTeam
GEVI =   GEVaarIndentificatienummer
GHOR =   Geneeskundige Hulpverlening Ongevallen en Rampen
GNK =   Geneeskundige
GMK =   Gemeenschappelijke Meldkamer
GRIP =   Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdings Procedure
HCC =   Hoofd Calamiteiten Centrum
HOVD =   Hoofd Officier van Dienst
HS-GHOR =  Hoofd Sectie Geneeskundige Hulpverlening Ongevallen en Rampen
HV =   Hulpverlenings Voertuig
IM =   Incident Management
KLPD =   Korps Landelijke PolitieDiensten
LCM =   Landelijk Centraal Meldpunt
LPR =   Landelijke Personenauto Regeling
LVR =   Landelijke Vrachtauto Regeling
MKA =  Meldkamer Ambulancezorg
MKB =   Meldkamer Brandweer
MKP =   Meldkamer Politie
MMT =   Mobiel Medische Team
OC-KLPD =  Operationeel Centrum KLPD
OVD-B =  Officier van Dienst - Brandweer
OVD-G =  Officier van Dienst - Geneeskundig
OVD-P =  Officier van Dienst - Politie
OVD-RWS =  Officier van Dienst - RijksWaterStaat
PCC =   Plaatsvervangend Compagnies Commandant
RAV =   Regionale Ambulance Voorziening
SBH =   Schuim Blus Haakarmbak
SIM =   Snelweg Incident Management
SIS =   Snelweg Incident Scenario
RGF =   Regionaal Geneeskundig Functionaris
ROGS =   Regionaal deskundige Ongevalsbestrijding Gevaarlijke Stoffen
RVI =   RijksVerkeersInspectie
RWS =   RijksWaterStaat
TS =   TankautoSpuit
VC-RWS =  Verkeerscentrale RijksWaterStaat
VOA =   Verkeers Ongevallen Analyse 

Snelwegincidentscenario

  • SIS 1: Verstoring van het verkeer
  • SIS 2: Brand
  • SIS 3: Ongeval (hulpverlening)
  • SIS 4: Gevaarlijke stoffen
  • SIS 5: Ordeverstoring
  • SIS 6: Waterongevallen

Elke hoofdgroep is onderverdeeld in meerdere subgroepen, oplopend van de kleinste omvang (1) naar de meest complexe situatie (5).

SIS 2

  • SIS 2.1: Kleine brand (bermbrand, 1 personenauto in brand)
  • SIS 2.2: Middelbrand (1 vrachtwagen of 2-4 personenauto's)
  • SIS 2.3: Grote brand (5-6 personenauto's of 2 vrachtwagens of 1 autobus in brand) (GRIP 1)
  • SIS 2.4: Zeer grote brand (meer dan 6 personenauto's, 3-4 vrachtwagens of een dubbeldekkerbus in brand) (GRIP 1)
  • SIS 2.5: Compagniebrand (meer dan 2 autobussen of meer dan 4 vrachtwagens in brand) (GRIP 1)

 SIS 3 

  • 3.1: Kleine HV (ongeval met 1-2 personenauto's, mogelijk met beknelling en/of gewonde)
  • SIS 3.2: Middel HV (3-4 auto's of 1 vrachtwagen met beknelling en/of gewonden)
  • SIS 3.3: Grote HV (4-5 auto's of 2-3 vrachtwagens of 1 autobus met beknellingen en/of gewonden) (GRIP 1)
  • SIS 3.4: Zeer grote HV (meer dan 6 personenauto's, meer dan 4 vrachtwagens of een dubbeldekkerbus met beknellingen en/of gewonden) (GRIP 1)
  • SIS 3.5: Compagnie HV (kettingbotsing met meer dan 15 voertuigen, met beknellingen en/of gewonden) (GRIP 2)
SIS 4
  • SIS 4.1: Ongeval zonder slachtoffers waarbij sprake is van een lekkende brandstoftank
  • SIS 4.2: Ongeval met 1 vrachtwagen met vermoedelijk lekkende lading, ongeval met een tankwagen waarbij sprake is van brand
  • SIS 4.3: Ongeval met 2 vrachtwagens met vermoedelijk lekkende lading, ongeval met 2 tankwagens waarbij sprake is van brand (GRIP 1)
  • SIS 4.4: Ongeval met meer dan 2 vrachtwagens met vermoedelijk lekkende lading of ongeval met meer dan 2 tankwagens waarbij sprake is van brand (GRIP 1)

SIS 6

  • SIS 6.1: Ongeval waarbij een auto of vrachtwagen betrokken is waarbij de auto/cabine en/of de persoon boven water liggen
  • SIS 6.2: Ongeval waarbij een auto of vrachtwagen betrokken is waarbij de auto/cabine en/of de persoon onder water liggen

 
Meestal genoemd als SIS is een gestandaardiseerde typering voor een incident op of rond een snelweg. Een SIS regelt de benodigde opschaling, zowel van de hulpdiensten als van de wegbeheerder (Rijkswaterstaat of de provincie). 

Tis Treinincidenten
Een Treinincidentscenario of TIS is een gestandaardiseerde typering voor een incident op of rond een spoorweg. Het is in feite de spoorwegvariant van de Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdings Procedure. Een TIS regelt de benodigde opschaling, zowel van de hulpdiensten als van de spoorwegmaatschappij en spoorbeheerder (ProRail). De opschaling van de hulpdiensten kan per regio of locatie verschillen.

Hoofdgroepen

De scenario's zijn ingedeeld in 5 groepen:

  • TIS 1: Verstoring treindienst
  • TIS 2: Brand
  • TIS 3: Aanrijding of ontsporing
  • TIS 4: Gevaarlijke stoffen
  • TIS 5: Bommelding

Elke hoofdgroep is onderverdeeld in 4 subgroepen, oplopend van de kleinste omvang (1) naar de meest complexe situatie (4).

TIS 1
TIS 1 betreft vrijwel altijd een bedrijfsmatige onderbreking voor de spoorwegen. In veruit de meeste gevallen is de inzet van hulpdiensten niet noodzakelijk.

  • TIS 1.1: een storing waarbij vertragingen ontstaan van tussen 5 en 30 minuten.
  • TIS 1.2: een storing waarbij vertragingen ontstaan van meer dan 30 minuten.
  • TIS 1.3: totale versperring.
  • TIS 1.4: totale versperring met uitstraling naar een groot gedeelte van het land.

TIS 2
Bij TIS 2 gaat het om scenario's waarbij sprake is van brand.

  • TIS 2.1: een bermbrand.
  • TIS 2.2: een kleine brand in een trein of station.
  • TIS 2.3: een grote brand in een trein.
  • TIS 2.4: een grote brand in een station of tunnel.

TIS 3
TIS 3 beschrijft scenario's voor aanrijdingen en botsingen waarbij slachtoffers betrokken zijn, variërend van een aanrijding met één klein voertuig tot een zeer ernstige aanrijding waarbij meerdere slachtoffers betrokken zijn en de trein of delen daarvan ernstig beschadigd zijn.

  • TIS 3.1: aanrijding trein met een Onderwerppersoon, fiets, bromfiets of ander voorwerp.
  • TIS 3.2: aanrijding trein met rangeerdeel of klein wegvoertuig (auto / bestelbus en dergelijke).
  • TIS 3.3: ontsporing met slachtoffers of aanrijding tussen een trein met een andere trein of een groot wegvoertuig (bus/vrachtauto) waardoor wagenstellen niet vervormd, gekanteld of gestapeld zijn.
  • TIS 3.4: ontsporing met slachtoffers of aanrijding tussen een trein met een andere trein, een groot wegvoertuig of object waardoor wagenstellen vervormd, gekanteld of gestapeld zijn.

TIS 4
TIS 4 is gereserveerd voor de gevaarlijke stoffen.

  • TIS 4.1: een klein ongeval met gevaarlijke stoffen, zoals een druppelende afsluiter of blazende veiligheid.
  • TIS 4.2: een brand waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
  • TIS 4.3: een ontsnapping van een gevaarlijke stof waarbij de effecten beperkt blijven tot het brongebied.
  • TIS 4.4: een ongeval met gevaarlijke stoffen waarbij duidelijk sprake is van een effectgebied.

TIS 5
Met TIS 5 worden de scenario's beschreven waarin sprake is van bommelding, bomvinding of bomexplosie.

  • TIS 5.1: anonieme bommelding of verdacht gedrag.
  • TIS 5.2: verdacht voorwerp of bomvinding op de vrije baan.
  • TIS 5.3: verdacht voorwerp of bomvinding in trein op station, op station of in tunnel.
  • TIS 5.4: bomexplosie in trein, station of in tunnel.

 

De scenario's zijn in 7 groepen ingedeeld die in grote lijnen gelijk lopen aan het Snelweg Incident Scenario:

  • VIS 1: Mens en dier in nood
  • VIS 2: Verontreiniging oppervlaktewater
  • VIS 3: Ongeval met Gevaarlijke stoffen
  • VIS 4: Brand en/of explosie
  • VIS 5: Ordeverstoring
  • VIS 6: Ecologisch incident
  • VIS 7: Aanvaring en/of losgeslagen schip, lading of object

Vaarwegincidentscenario

Een vaarwegincidentscenario is een gestandaardiseerde typering voor een incident op of rond een vaarweg. Een VIS is onderdeel van het Vaarweg Incident Management en is binnen de rampenbestrijding voor de benodigde opschaling, zowel van de hulpdiensten als van de beheerder (veelal Rijkswaterstaat) vaarweg.

VIS 1

Mens en dier in nood

  • VIS 1.1: Watersporter in problemen, dier in nood
  • VIS 1.2: Schip in nood
  • VIS 1.3: Persoon overboord/vermist
  • VIS 1.4: Ongeval, gewonde
  • VIS 1.5: Ziekte aan boord
  • VIS 1.6: Neergestort vliegtuig (GRIP 1)
  • VIS 1.7: Problemen ijs (Persoon door ijs gezakt)

VIS 2

Verontreiniging (oppervlakte) water en oevers

  • VIS 2.1: Versmering
  • VIS 2.2: Stof opgelost in water
  • VIS 2.3: Stof drijft op water
  • VIS 2.4: Stof zinkt
  • VIS 2.5: Verontreiniging kust/oever

VIS 3

Ongeval met gevaarlijke stoffen

  • VIS 3.1: Hinderlijke lucht
  • VIS 3.2: Vrijgekomen Brandbare stof
  • VIS 3.3: Vrijgekomen Chemische stof
  • VIS 3.4: Vrijgekomen Radioactieve stof
  • VIS 3.5: Ontstaan gaswolk
  • VIS 3.6: Transportleiding
  • VIS 3.7: Aantreffen explosief
  • VIS 3.8: Gedumpte onbekende stof

VIS 4

Brand en/of explosie

  • VIS 4.1: Pleziervaart
  • VIS 4.2: Binnenvaartschip
  • VIS 4.3: Rondvaartboot (GRIP 1)
  • VIS 4.7: Cruise/Ferry (GRIP 1)

VIS 5

Ordeverstoring

  • VIS 5.1: Recreatie
  • VIS 5.2: Partyboot
  • VIS 5.3: Cruiseschip/Ferry
  • VIS 5.4: Activisten op een vaartuig
  • VIS 5.5: Stremming van de vaarweg
  • VIS 5.6: Bij sluis/ op de kant

VIS 6

Ecologisch incident

  • VIS 6.1: Aangespoelde vogels/dieren
  • VIS 6.2: Veel zieke/dode dieren in het water

VIS 7

Aanvaring en/of losgeslagen schip, object of lading

  • VIS 7.1: In de vaarweg
  • VIS 7.2: Gezonken
  • VIS 7.3: Op de oever/op het strand
  • VIS 7.4: Vermist

 

Vliegtuig ongevallen worden op de vliegvelden met een VOR of VOS melding aangeduid. Zowel Eelde Schiphol als Groningen heeft hier voor zijn eigen alarmering systeem welke hier onder word uitgelegd.

Schiphol

Vliegtuigalarmeringen kunnen volgens de alarmregeling van Amsterdam Airport Schiphol in verschillende vormen voorkomen: oplopend van vooralarm klein naar VOS GROOT 'VOS' staat hierbij voor Vliegtuig Ongeval Schiphol.

Geen ongeval/voorwaarschuwing

Vooralarm klein  = grip 0
Vooralarm groot = grip 2 ( hulpdiensten op schiphol hebben ondersteuning nodig vanuit de regio personeel of/en materieel.

Ongeval

VOS klein = grip 0
VOS groot = GRIP 3

Een "VOS klein" met een of meer overleden slachtoffers is een GRIP 3.

Rotterdam

Vliegtuigalarmeringen kunnen volgens de alarmregeling van Rotterdam Airport in verschillende vormen voorkomen: oplopend van VOR 1 tot VOR 7. 'VOR' staat hierbij voor Vliegtuig Ongeval Rotterdam, het cijfer geeft de zwaarte van het alarm aan:

  • VOR 1 - Voorzorgslandingen of klein incident.
  • VOR 2 - Noodlanding van een vliegtuig met 1-6 personen aan boord.
  • VOR 3 - Noodlanding van een vliegtuig met 7-54 personen aan boord.
  • VOR 4 - Noodlanding van een vliegtuig met meer dan 54 personen aan boord.
  • VOR 5 - Crash van een vliegtuig met 1-6 personen aan boord. Of een ongeluk met een vliegtuig onderweg van of naar of op een afhandelingspositie met 1-6 personen aan boord.
  • VOR 6 - Crash van een vliegtuig met 7-54 personen aan boord. Of een ongeluk met een vliegtuig onderweg van of naar of op een afhandelingspositie met 7-54 personen aan boord.
  • VOR 7 - Crash van een vliegtuig met meer dan 54 personen aan boord. Of een ongeluk met een vliegtuig onderweg van of naar of op een afhandelingspositie met >54 personen aan boord.

Eelde

Op Groningen Airport Eelde gelden de volgende scenarios:

  • 1A -Voorzorgslanding van een vliegtuig met 1-6 personen aan boord.
  • 1B -Crash van een vliegtuig met 1-6 personen aan boord.
  • 2A -Noodlanding van een vliegtuig met 7-50 personen aan boord.
  • 2B -Crash van een vliegtuig met 7-50 personen aan boord.
  • 3A -Noodlanding van een vliegtuig met meer dan 50 personen aan boord.
  • 3B -Crash van een vliegtuig met meer dan 50 personen aan boord.
  • 4 -Ramp op afstand, het gaat hier dan voornamelijk om vliegtuigongevallen buiten het luchthaventerrein.
  • 5 -Brand, ongeval of ander incident op luchthaventerrein
  • 6 -Verstoring van de openbare orde
  • 7 -Kaping of gijzeling
  • 8 -Bommelding